De Barcelona Chair, een complete historie

De Barcelona Chair

Er bestaan weinig stoelen die zo bekend en bewierookt zijn als de Barcelona Chair (Nederlands: Barcelona-stoel). De door de Duitse architect Ludwig Mies van der Rohe (1886-1969) ontworpen leren zetel wordt al meer dan tachtig jaar geproduceerd en kan nog steeds gespot worden in menig bank- en kantoorgebouw. Zo bekend als het design van de stoel bij velen is, zo onbekend is zijn geschiedenis. 

Wat meteen opvalt aan de Barcelona Chair is zijn tijdloze voorkomen. Klassiek en modern lijken zonder conflict samen te komen in het design van de stoel. Wat daarbij het meest in het oog springt, is het platstalen en verchroomde kruisvormig onderstel. De sierlijke, gebogen, metalen buizen geven de stoel een klassieke uitstraling. De platte en rechthoekige, leren kussens daarentegen creëren een moderne look en benadrukken het kubistische karakter van de stoel; als je met vier rechte lijnen de omtrek van de stoel tekent, vormt het zijaanzicht een kubus. Deze aspecten samen maken van de Barcelona Chair een tijdloze verschijning. Het feit dat de stoel al meer dan tachtig jaar een afzetmarkt heeft over de hele wereld onderstreept dit.

De wereldtentoonstelling in Barcelona

We gaan terug naar het jaar 1929. In Barcelona zou op 27 mei de wereldtentoonstelling gehouden worden. Vanuit de Duitse regering was aan Mies van der Rohe (kortweg: Mies) het verzoek uitgegaan om een paviljoen te ontwerpen dat de authenticiteit en economische potentie van de Weimarrepubliek (het toenmalige Duitsland) zou uitdragen. Het gebouw moest de nieuwe mentaliteit van het land symboliseren: democratie, pascifisme, welzijn en progressieve culture expressie. Dat deze opdracht bij Mies werd neergelegd, was niet opmerkelijk; hij was een pionier op het gebied van meubilairontwerp en moderne architectuur. Daarnaast was hij een prominent lid van de Bauhaus-school, een architectonische stroming die bekend stond om haar eenvoud en modern design.

Toen de architect aan de bestuurders vroeg wat ze precies bedoelden met een paviljoen, kreeg hij als antwoord dat ze dat zelf ook niet zo goed wisten. In tegenstelling tot ideeën was er wel genoeg geld voor handen. Het gaf Mies de vrijheid om het pand volledig naar eigen inzicht te ontwerpen. Zo kwam het zogenaamde ‘Barcelona-paviljoen’ tot stand. Dat geld geen probleem was, blijkt uit de materialen die voor de constructie van het paviljoen gebruikt werden; het gebouw was opgetrokken uit glas, marmer en onyx. En dat terwijl het pand tijdens de wereldtentoonstelling slechts gebruikt zou worden als ontvangstruimte. 

Als interieur voor het gebouw ontwierp Mies een stoel die later bekend zou worden onder de naam ‘Barcelona Chair’. De Barcelona Chair werd vergezeld van een voetenbank. Tijdens de tentoonstelling stonden er twee sets in het paviljoen opgesteld, beide bekleed met wit geitenleer. Ze vormden het enige meubilair in de gehele ruimte en konden daardoor onmogelijk aan de aandacht van de toeschouwers ontsnappen. De meubels waren door de ontwerper voor een vlakke wand geplaatst, waardoor ze nog beter tot hun recht kwamen. 

Al snel na de wereldtentoonstelling ontwikkelde de Barcelona Chair een soort cultstatus. De frequente publicatie van foto’s van het Barcelona-paviljoen en de toenemende bekendheid van Mies droegen hier zeker aan bij. Daarnaast gebruikte de architect de stoelen in de openbare ruimtes van de door hem ontworpen gebouwen, waardoor het object vaak in de media verscheen. Veel ontwerpers kopieerden het werk van Mies. De stoel werd wereldberoemd. 

Ontwerp

De Barcelona Chair moest dus niet zomaar een stoel worden; hij zou de nieuwe waarden van de Weimarrepubliek ─ het toenmalige Duitsland ─ moeten symboliseren. Bovenal moest de stoel puur zijn qua constructie en materiaal en mocht hij geen ornamenten bevatten, omdat dit de stoel een elitair karakter zou geven. Dat was niet de bedoeling. Echter, in praktische zin moest de stoel zich wel goed verhouden tot de ruimte van het dure paviljoen. Mies was zich terdege bewust van deze moeilijkheid: de stoel die hij ging ontwerpen moest naar eigen zeggen “een belangrijke stoel zijn, een elegante stoel die kostbaar was. Hij moest monumentaal zijn. Je kon niet gewoon een keukenstoel gebruiken.” Om zo’n stoel te maken moest hij breken met de Bauhaus-traditie van het ontwerpen van meubilair dat betaalbaar, functioneel en eenvoudig te produceren was. 

Een wijdverspreid misverstand dat Mies in de jaren zestig zelf de wereld in heeft geholpen, is dat de Barcelona Chair als ‘troon’ moest dienen voor de Spaanse koning Alfonso VIII en zijn vrouw Ena.  De aanwezigheid van de stoelen bood hen de mogelijkheid om even uit te rusten op het moment dat ze in het paviljoen ontvangen werden. Het was dus zogenaamd een stoel met een koninklijk karakter. Dit is echter in tegenspraak met de uitgangspunten die de architect hanteerde bij het ontwerpen van het paviljoen. Bij dat proces stond namelijk de democratie en economische vooruitgang van de Weimarrepubliek centraal en niet het elitaire en koninklijke karakter van de monarchie dat men in de loop der jaren aan de Barcelona Chair heeft toegeschreven. Sterker nog, Mies was lid van de socialistische Novembergroep en had enkele jaren eerder nog een anti-monarchistisch monument ontworpen. Daarnaast was hij lid van de Bauhaus-school, die meubels ontwierp die zich karakteriseerden door hun eenvoud en praktisch nut. Hoe het ook zij, het koningspaar heeft nooit plaatsgenomen op de ‘voor hen’ ontworpen troon. Het fabeltje heeft wel bijgedragen aan het chique karakter van de stoel. 

De totstandkoming van de Barcelona Chair ging niet zonder slag of stoot. Dat Mies daar niet klein over dacht, blijkt uit zijn volgende uitspraak: “De stoel is een erg moeilijk object. Iedereen die ooit geprobeerd heeft er een te maken weet dat. Er zijn eindeloos veel mogelijkheden en veel dilemma’s; de stoel moet licht zijn, hij moet sterk zijn en hij moet comfortabel zijn. Het is bijna eenvoudiger om een wolkenkrabber te ontwerpen dan een stoel." Het grootste dilemma waar Mies zich tijdens de ontwerpfase mee geconfronteerd zag, was de juiste balans vinden tussen comfort en functionaliteit. Om deze balans te vinden moesten twee zaken met elkaar in verhouding zijn: de relatieve veerkracht van het staal en de hardheid van de kussens en de bekleding. 

In 1927 presenteerde Mies een buisstoel zonder achterpoten, die daardoor een verende zitting kreeg. Degene die op de stoel plaatsnam, werd slechts ondersteund door de weerstand van het metaal. Nu het gelukt was om een verende zitting te maken, konden dikke kussens misschien achterwege worden gelaten. Dat viel tegen; de stoel zat te hard en er moest een hele reeks van ontwerpen aan te pas komen om uiteindelijk uit te komen op het kruisvormige onderstel dat zo kenmerkend is voor de Barcelona Chair. 

Het metalen onderstel van de stoel, dat Mies heeft overgenomen van de Duitse architect en interieurontwerper Schinkel, vindt zijn oorsprong in de oudheid. Het concept werd toen toegepast op de Sella Curulis, een bekende Romeinse stoel. Dit karakteristieke ontwerp is ook terug te vinden in stoelen uit de middeleeuwen, de renaissance en de tweede helft van de negentiende eeuw. Hoewel hetzelfde principe vanaf de twintigste eeuw opmerkelijk genoeg ook gebruikt werd voor vouw- en campingstoelen, was het in de oudheid een kenmerk van vorstelijk gezag. 

Voor het design van de kussens maakte Mies gebruik van de expertise van interieurontwerpster Lilly Reich (1885-1947). Zij was van 1925 tot 1938 zijn vaste werkpartner en maakte de keuzes op het gebied van materiaal, kleur en bekleding. Hoewel zij een niet te onderschatten bijdrage heeft geleverd aan de totstandkoming van verschillende ontwerpen van Mies, gaf ze er de voorkeur aan om niet op de voorgrond te treden. Als gevolg daarvan wordt de Duitse architect doorgaans beschouwd als de ontwerper van de Barcelona Chair. Er mag echter met recht worden gesteld dat de stoel door hen samen is ontworpen.

Productie

De eigenschappen van de Barcelona Chair sluiten goed aan bij wat in de jaren twintig populair was in de wereld van design en interieur: functionaliteit, rationaliteit en moderniteit. De stoel werd dan ook al snel na de presentatie in productie genomen en op de markt gebracht. Dat de introductie van de Barcelona Chair nogal wat teweeg bracht in de interieurwereld, blijkt uit het feit dat Bauhaus-ontwerpers daarna nóg minimalistischer te werk gingen bij het ontwerpen van designstoelen. Alle overbodige zaken werden weggelaten. 

De ijzergieterij van Joseph Müller in Bamberg kreeg de productie van de eerste serie stoelen toegewezen. Een jaar later zou de Barcelona Chair in de productcatalogus van het bedrijf verschijnen. Al spoedig ervoer Joseph Müller dat het maken van de stoel geen eenvoudige klus was. Het verchromen van metaal was een nieuw soort techniek die overgenomen was van andere industrietakken. Een hieruit voortkomend probleem was dat er geen vaten met chroom beschikbaar waren die groot genoeg waren om het onderstel van de stoel in één keer te verchromen. Daarom werden de vijf aparte delen waar het onderstel destijds uit vervaardigd werd allen apart verchroomd en vervolgens met schroeven aan elkaar bevestigd. 

Mies gaf de producent weliswaar de vrijheid om bij de productie van de stoel naar eigen inzicht te handelen, het originele ontwerp moest wel in stand worden gehouden. Röntgenfoto’s laten zien dat er bij de productie van de eerste serie stoelen gesoldeerd werd, maar dit was met het blote oog niet waar te nemen. Dat was ook de bedoeling. Het aangezicht van de stoel moest de indruk wekken dat het metalen onderstel uit één stuk staal vervaardigd was. Daarom was het samenvoegen van de verschillende delen een dure en arbeidsintensieve aangelegenheid: de lasnaden en soldeerplekken moesten handmatig worden weggevijld. Alle schroeven en bevestigingspunten werden door de leren banden ─ hier rustten de kussens op ─ en de kussens afgedekt, zodat die illusie in stand werd gehouden. Vanaf 1950 werd het onderstel daadwerkelijk uit één stuk metaal vervaardigd, toen het roestvrijstaal zijn intrede deed. 

Het toenmalige Duitsland ─ het thuisland van Mies ─ leed zwaar onder de crisis en de extreme inflatie leidde tot veel werkloosheid en armoede. Dit had ook gevolgen voor de Barcelona Chair; in 1934 werd de stoel uit de productie genomen. In 1933 was de Bauhaus-school, waar de gerenommeerde architect inmiddels voorzitter van was, reeds in opdracht van Hitler gesloten. In de jaren die volgden probeerde Mies opdrachten te krijgen van het Nazibewind, maar deze pogingen waren tevergeefs. In 1938 trok de architect zijn conclusies en vertrok naar Amerika, in de hoop daar voet aan de grond te krijgen. 

Hij sloot zich aan bij een gezelschap van architecten en ondernemers en gezamenlijk probeerden ze aan de financiële crisis te ontkomen. In New York kwam Mies in contact met Florence (1917- ) en Hans Knoll (1914-1955), die geïnteresseerd waren in een samenwerking met de Duitse architect. Ook zij hielden van strak, modern en functioneel design. Dit ─ en wellicht de gedeelde Duitse achtergrond van Hans Knoll en Mies ─ schepte een band en een nieuwe samenwerking was geboren. 

Het enthousiasme van Florence Knoll voor de Barcelona Chair laat zich het best samenvatten in het volgende citaat: “Elk zichzelf respecterend bedrijf moet Barcelona-meubilair hebben”, aldus de interieurontwerpster. Na een pauze van veertien jaar werd de Barcelona Chair in 1948 door Knoll Furniture weer in productie genomen. Twee jaar later kwam Mies met een herontwerp; het onderstel werd vanaf nu uit één stuk staal vervaardigd, waardoor solderen niet meer nodig was. Voor de kussens werd vanaf nu koeienleer in plaats van geitenleer gebruikt. 

In het begin van de jaren vijftig was Gerry Griffin uit Chicago het eerste bedrijf dat bij de productie van de Barcelona Chair met roestvrijstaal werkte (vanaf 1964 ging ook Knoll  het gebruik van roestvrijstaal toepassen). De stoelen van Gerry Griffin werden door Mies gebruikt om het interieur van de door hem ontworpen gebouwen in Chicago in te richten. De door Gerry Griffin gemaakte stoelen kenmerken zich door een spaarzamer gebruik van staal op de plek waar de platstalen buizen van het onderstel elkaar kruisen. Daardoor ontstaan op de kruising scherpere hoeken. Dit wijkt echter af van het oorspronkelijke ontwerp van de Barcelona Chair, waarbij de hoeken van het kruisvormig gedeelte juist werden weggewerkt. 

De firma Knoll heeft sinds 1953 het patent op de stoel in haar bezit en is zodoende tot op heden officieel producent van de Barcelona Chair. De echtheid van het product is te herkennen aan de handtekening van Mies, die in het metaal is gedrukt. Sinds 1929 heeft het bedrijf meer dan twintigduizend exemplaren verkocht, bekleed met vijf verschillende soorten leer en in negenhonderd verschillende kleurstellingen. Als ook alle replica’s die in omloop zijn worden meegeteld, dan komt men uit op een veelvoud van dit aantal.  

Het produceren van de stoel heeft tot op heden behoorlijk wat voeten in de aarde. De vervaardiging van het kwalitatief uitstekende lederwerk vindt tegenwoordig plaats in Italië. Het vereist echt vakwerk en nauwkeurig handelen is dan ook geboden. Het maken van het leer voor de kussens van één exemplaar betekent voor een stoffeerder een volle dag werk. Het leer van de kussens van de stoel bestaat uit veertig lapjes, die afzonderlijk worden uitgesneden en handmatig worden samengevoegd. De knopen die hiervoor gebruikt worden, zijn met hetzelfde leer bekleed als de kussens. De stoffeerder werkt de naden weg door er een sierbies overheen te plaatsen. Daarna maakt hij de tuigleren banden ─ die dezelfde kleur dragen als het leer ─ met klinknagels aan het onderstel vast. Hier komen de kussens op te rusten. De vulling van de kussens bestaat tegenwoordig uit schuimrubber, maar voorheen werd hier paardenhaar voor gebruikt. Door de tuigleren banden door gleuven aan de onderkant van de kussens te halen, worden deze aan het onderstel van de stoel bevestigd. De Barcelona Chair is af. 

Afgezien van een eenmalige onderbreking rond de Tweede Wereldoorlog is de Barcelona Chair sinds 1929 constant in productie geweest. Door zijn bekendheid en herkenbare voorkomen heeft de stoel uitgenodigd tot de vervaardiging van tal van replica’s. Ook zijn er varianten als bankstel ontworpen. In sommige gevallen wordt gebruikgemaakt van aluminium in plaats van roestvrijstaal. Het meest kenmerkende verschil tussen de namaakstoelen en het origineel zit in de constructie van het onderstel. De losse delen zijn vaak met (al dan niet zichtbare) schroeven aan elkaar bevestigd, terwijl het onderstel van de officiële Barcelona Chair uit één stuk staal bestaat. Aan dit vakmanschap hangt echter wel een fors prijskaartje. Op de website van Knoll worden de stoelen (zonder voetenbankje) momenteel aangeboden voor een slordige vijfduizend euro. 

Klassiek en modern tegelijk

Over smaak valt niet te twisten, maar als het gaat om de Barcelona Chair spreken de cijfers voor zich: sinds de introductie van de stoel zijn er wereldwijd meer dan twintigduizend originele exemplaren van verkocht. Daarnaast worden er nog altijd talloze replica’s in omloop gebracht, die op de meest uiteenlopende locaties kunnen worden teruggevonden. Hoe kan het dat een stoel die al tachtig jaar bestaat, nog zo gewild is en bij velen tot de verbeelding spreekt? 

Om het ongekende succes van de stoel te verklaren, moet gezocht worden in de richting van het tijdloze design. Alleen al in het onderstel zijn klassiek en modern met elkaar verenigd. De vorm is klassiek en gaat terug tot de oudheid. Het gebruikte materiaal daarentegen ─ het roestvrijstaal ─ wordt pas gebruikt sinds 1950 en geeft de stoel zijn moderne look. 

Voor de kussens gaat hetzelfde op; qua uiterlijk hebben ze wat weg van de Engelse Chesterfieldmeubelen wat ze een klassieke uitstraling geeft. Tegelijkertijd zijn de rechte lijnen in de vorm een kenmerk van modern design. De associatie die het meubel oproept met de Wereldtentoonstelling in Barcelona en het Spaanse koningspaar geeft de stoel een wat elitair karakter, maar door zijn schijnbare eenvoud blijft hij toch een nuchtere verschijning. Kortom, een uitgebalanceerde stoel.  

Deze eigenschappen maken van de Barcelona Chair een tijdloze verschijning die in geen enkel interieur misstaat of uit de toon valt. Zoals Mies zelf zei: “Bij ontwerpen gaat het altijd om de verhoudingen. De verhoudingen van het object zelf, maar ook de verhouding tussen de objecten. Al is er niks, dan is er altijd nog de verhouding.”  Dat is het kenmerk van de Barcelona Chair; waar je hem ook neerzet, hij verhoudt zich altijd goed tot zijn omgeving.